Laaggeletterdheid en Dyslexie

Het percentage Nederlandse jongeren van 15 jaar met een taalachterstand is in de afgelopen jaren sterk toegenomen: van 11,5% in 2003 naar 17,9% in 2015. Dit blijkt uit recent onderzoek van de OESO (PISA-rapport). Deze ontwikkeling is zorgelijk omdat jongeren met een taalachterstand een groot risico lopen om de laaggeletterden van de toekomst te worden. Volgens Stichting Lezen en Schrijven geldt dit voor 1 op de 10 kinderen (Preventie door Interventie, maart 2017). Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat laaggeletterdheid en dyslexie vloeiend in elkaar overlopen. Het zijn posities aan de onderkant van geletterdheid. Het onderscheid wordt gemaakt op basis van dezelfde benadering: het verschil in invloed van intensieve, vroegtijdige, langdurige en doelgerichte interventies. Aryan van der Leij komt tot de stelling dat “Dyslexie hetgeen is dat overblijft nadat laaggeletterdheid is bestreden”.

Opvallend genoeg krijgt 8% van de basisschoolleerlingen de diagnose dyslexie. Het aantal leerlingen met een dyslexieverklaring en de diagnose Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (E.E.D) ligt hierdoor boven (wetenschappelijk berekende) verwachting (Zijlstra, 2016).